Artikel

De bevoegde rechtbank voor werknemersclaims: Waar kan een werknemer terecht om zijn werkgever aan te klagen?

Regels hiervoor worden ingevoerd door Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.

Sectie 5 hiervan omschrijft de gerechtelijke jurisdictie in zaken op het gebied van arbeidsrecht.

Hierin wordt gesteld dat indien de werkgever met wie de werknemer een individuele arbeidsovereenkomst heeft gesloten, niet woonachtig is in een Lidstaat maar wel een filiaal, agentschap of andersoortige afdeling heeft in een Lidstaat, hij in geschillen over het handelen daarvan zal worden behandeld als ware hij in die Lidstaat woonachtig geweest.

Kennelijk kan een werkgever door een werknemer dus ook worden aangeklaagd bij de rechtbanken van de plaats waar de arbeid wordt/werd verricht. Hieronder valt ook de situatie waarin arbeid wordt verricht een afdeling, agentschap of andersoortige eenheid die zich in een van de lidstaten bevindt.

 

Een werkgever die woonachtig is in een Lidstaat kan worden aangeklaagd:

  1. voor de rechtbanken van de Lidstaat waar hij woonachtig is, of

  2. in een andere Lidstaat

  3. voor de rechtbank van de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht of laatstelijk gewoonlijk zijn arbeid heeft verricht, of

  4. indien de werknemer zijn arbeid gewoonlijk niet verricht of heeft verricht in één en hetzelfde land: voor de rechtbank van de plaats waar de afdeling die de werknemer in dienst heeft/had, zich bevindt of heeft bevonden.

 

Van de hier genoemde regels mag op grond van de overeenkomst alleen worden afgeweken:

- indien de overeenkomst is gesloten nadat er een geschil was ontstaan; of

- indien ze de werknemer het recht geeft een vordering in te dienen bij andere rechtbanken dan in deze sectie zijn genoemd.

 

Net als bij de regels voor verzekeringscontracten en consumentenovereenkomsten kan een werkgever tegen een werknemer alleen een vordering aanhangig maken in het land waar hij woont. Een dergelijke vormgeving van de jurisdictieregels dient om de werknemer, als zijnde de zwakste partij in een individuele arbeidsovereenkomst, te beschermen.

Hierbij zij nog aangetekend dat volgens art. 6 van Richtlijn 96/71 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten, om ervoor te zorgen dat het in art. 3 van de Richtlijn gegarandeerde recht op arbeidsvoorwaarden en tewerkstelling voor een gerecht kan worden opgeëist, in de Lidstaat waar de werknemer gedetacheerd is of is geweest, een gerechtelijke procedure kan worden ingeleid, in welk geval conform andere voorschriften inzake de bevoegdheden van een rechtbank het recht voorbehouden blijft een gerechtelijke procedure in te leiden in een andere Lidstaat.

Het hier genoemde art. 3 van de Richtlijn omvat: maximale werkperiodes en minimale rustperiodes, de minimale hoeveelheid betaald verlof per jaar, minimale loontarieven, inclusief een overurentarief; dit punt is niet van toepassing op aanvullende bedrijfspensioenregelingen; voorwaarden voor het verhuren van werknemers, met name door uitzendondernemingen; veiligheid, gezondheid en hygiëne op de werkvloer; beschermingsmiddelen, toegepast met betrekking tot de voorwaarden voor de tewerkstelling van zwangere vrouwen, vrouwen die net zijn bevallen, kinderen en jongeren; en gelijke behandeling van mannen en vrouwen, evenals andere voorschriften op het gebied van discriminatiebestrijding.