Artikel

Een Nederlandse vaste inrichting

De Pools-Nederlandse betrekkingen op belastinggebied worden geregeld door het Verdrag tussen de Republiek Polen en het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen van 13 februari 2002.

Het begrip „vaste inrichting” wordt vooral gebruikt om het recht van het verdragsluitende land op het belasten van winst uit onderneming te bepalen.

Het bestaan van een vaste inrichting is ook van invloed op de inkomstenbelasting van tewerkgestelde en gedetacheerde werknemers. Immers, wanneer de lonen van werknemers worden betaald door een bedrijf of een vaste vestiging die een werkgever in een ander land heeft, dan moeten deze werknemers daar ook hun belasting betalen (als bedoeld in art. 15 lid 1 van het Verdrag).

Hieruit vloeit dus als consequentie voort, dat wanneer een firma een vaste inrichting in Nederland heeft, daar ook de volgende belastingen moeten worden afgedragen:

- inkomstenbelasting van rechtspersonen (CIT) uit hoofde van aldaar geboekte winsten,

- inkomstenbelasting voor gedetacheerde werknemers (PIT).

 

Een definitie van het begrip „vaste inrichting” staat in art. 5 van het Pools-Nederlandse verdrag:

De uitdrukking „vaste inrichting” als bedoeld in het Verdrag betekent een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.

De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:

a) een plaats waar leiding wordt gegeven,

b) een filiaal,

c) een kantoor waar handelsactiviteit plaatsvindt,

d) een fabriek,

e) een werkplaats,

f) een mijn, een steengroeve of een andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen,

g) een bouw- of montageplaats voor een periode die langer is dan 12 maanden.

 

Bouwplaatsen en plaatsen van uitvoering van bouw-, constructie- of installatiewerkzaamheden vormen alleen een vaste inrichting indien de duur ervan langer is dan twaalf maanden. Wordt de periode van 12 maanden overschreden, dan hebben wij te maken met een vaste inrichting, zelfs wanneer niet aan de algemene criteria van art. 5 lid 1 van het Verdrag wordt voldaan.

Onder het begrip bouwplaats wordt verstaan de bouw van een bouwwerk dan wel een industrieel object of delen daarvan. Het gaat hier met name om boven- en ondergrondse bouw op het land, wegenbouw, de aanleg van kanalen en pijpleidingen, en havenbebouwing, inclusief alle daarmee samenhangende verrichtingen en sloopwerkzaamheden. Constructie- en installatiewerkzaamheden bestaan uit het definitieve aansluiten of ombouwen/inbouwen van prefabricaten zodat deze één geheel gaan vormen; hierbij worden reparaties en verbouwingen niet meegerekend. Een bouwplaats moet worden behandeld als een afzonderlijke unit, zelfs indien aan de werkzaamheden slechts enkele contracten ten grondslag liggen, maar wel met als voorwaarde dat deze in economisch en geografisch opzicht een geheel vormt.

 

Overeenkomst art. 5 lid 4 van het Verdrag zijn de volgende zaken beslist geen vaste inrichtingen:

a) inrichtingen die uitsluitend dienen voor opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar,

b) aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, die uitsluitend worden aangehouden voor opslag, uitstalling of aflevering,

c) aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, die uitsluitend worden aangehouden voor bewerking of verwerking door een andere onderneming,

d) een vaste bedrijfsinrichting die uitsluitend wordt aangehouden om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of inlichtingen in te winnen,

e) een vaste bedrijfsinrichting die uitsluitend wordt aangehouden voor reclamedoeleinden, om informatie te verstrekken, wetenschappelijk onderzoek te verrichten of een soortgelijke werkzaamheid uit te oefenen die van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft.

.

Hieraan moet worden toegevoegd dat een onderneming conform het algemeen aanvaarde beginsel moet worden behandeld als zijnde in het bezit van een vaste inrichting in het betreffende land, indien er in dit land in het kader van bepaalde voorwaarden ten behoeve van deze onderneming een persoon opereert, zelfs wanneer deze onderneming geen vaste vestiging heeft. Personen wier werkzaamheid een vaste inrichting van een onderneming kunnen vormen, worden afhankelijke vertegenwoordigers genoemd. Dit kunnen natuurlijke personen of vennootschappen zijn en zij hoeven geen woon- of vestigingsplaats te hebben of een vaste vestiging te hebben in het land waar zij ten behoeve van de onderneming opereren. Een vaste inrichting bestaat als een dergelijke persoon namens de onderneming handelt, in het bezit is van een volmacht tot het sluiten van contracten namens de onderneming en deze normaalgesproken ook uitoefent.