Artikel

Toepasselijk recht voor arbeidsovereenkomsten van in Nederland gedetacheerde werknemers

De kwestie van het toepasselijke arbeidsrecht wordt in het geval van de tewerkstelling van Poolse werknemers in Nederland geregeld door Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake het recht dat verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) beheerst. Overeenkomstig deze verordening staat het de partijen vrij voor de gehele overeenkomst of een gedeelte daarvan het toepasselijke recht te kiezen (art. 3 lid 1 van de verordening). Deze keuze dient rechtstreeks voort te vloeien uit de contractuele bepalingen of de omstandigheden van de zaak. De regels voor de bepaling van het op arbeidsovereenkomsten toepasselijke recht zijn daarentegen vastgelegd in art. 8 van deze verordening, dat naar het in de vorige zin genoemde principe verwijst. In het geval van een arbeidsovereenkomst mag de keuze van een partij voor het op de overeenkomst toepasselijke recht er echter niet toe leiden, dat de werknemer verstoken raakt van de bescherming door rechtsnormen die wel zouden hebben gegolden als de partijen niet voor een ander toepasselijk recht zouden hebben gekozen.

Alvorens te bepalen in hoeverre wij voor de arbeidsovereenkomst de door de partijen gekozen wetgeving gaan gebruiken, moeten wij vaststellen welke wetgeving toepasselijk zou zijn indien de partijen geen gebruik zouden maken van de vrijheid om zelf het op de overeenkomst toepasselijke recht te kiezen.

De regels voor de vaststelling van het recht dat een arbeidsovereenkomst gaat beheersen, worden indien de partijen deze niet zelf kiezen, omschreven door art. 8 lid 2, 3 en 4 van Rome I.

Regel 1. Wanneer de partijen van de overeenkomst geen toepasselijk recht hebben aangewezen, wordt het recht toegepast van het land waar (bij gebreke daarvan) de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht (art. 8 lid 2 van de verordening).

Regel 2. Indien het toepasselijke recht niet aan de hand van het criterium werklocatie kan worden vastgesteld, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar zich de onderneming bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen (art. 8 lid 3 van de verordening).

Regel 3. Indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een nauwere band heeft met een ander land dan op grond van bovenstaande regels blijkt, is het recht van dat andere land van toepassing (art. 8 lid 4 van de verordening).

Wanneer bij de vaststelling van het recht dat een arbeidsovereenkomst gaat beheersen, het beginsel van art. 8 van Rome 1 wordt toegepast, betekent dit dat wanneer de partijen niet bepalen door welk recht de arbeidsovereenkomst wordt beheerst, het Poolse recht toepasselijk is. Dit komt doordat Polen de plaats moet zijn waar de werknemer zijn arbeid verricht en doordat er geen omstandigheden zijn waaruit blijkt dat de arbeidsovereenkomst een nauwere band heeft met een ander land dan Polen (bv. Nederland).

Komen de partijen echter overeen dat de arbeidsovereenkomst zal worden beheerst door het recht van een ander land, dan betekent dit niet dat de werknemer de rechten verliest die hij aan de geldende rechtsnormen ontleent.

Dit betekent dat bij iedere detachering, ongeacht de vraag hoelang deze duurt, hoe deze wordt gerealiseerd en wat de status is van de werknemer of uitzendkracht, er altijd rekening zal moeten worden gehouden met de rechtsnormen die voor de werknemer het gunstigste zijn. Deze kunnen betrekking hebben op:

- voorschriften omtrent maximale arbeidsperiodes en minimale rustperiodes;

- voorschriften omtrent de minimale hoeveelheid betaald verlof per jaar;

- voorschriften omtrent minimale loontarieven, inclusief een overurentarief;

- voorschriften omtrent de voorwaarden voor het verhuren van werknemers, met name door uitzendondernemingen;

- voorschriften omtrent veiligheid, gezondheid en hygiëne op de werkvloer;

- voorschriften omtrent beschermingsmiddelen, toegepast met betrekking tot de voorwaarden voor de tewerkstelling van zwangere vrouwen, vrouwen die net zijn bevallen, kinderen en jongeren;

- voorschriften omtrent gelijke behandeling van mannen en vrouwen, evenals andere voorschriften op het gebied van discriminatiebestrijding.

Bovenstaande principes doen niets af aan het recht van de rechtbank die een geschil behandelt de eigen geldende voorschriften te hanteren.